Dit is ondersteunend materiaal. Leer altijd ook je BOA-lesboek hiernaast. Hier staat alles in hoofdlijnen.
Strafbaarheid en strafuitsluiting
9 begrippen | 10 oefenvragen
Woorden met een stippellijn zijn begrippen. Klik erop voor uitleg.
Voor strafbaarheid zijn vier dingen nodig: (1) een menselijke gedraging (doen of nalaten), (2) die valt onder een delictsomschrijving (alle bestanddelen zijn vervuld), (3) heid (in strijd met het recht), en (4) schuld (de dader kan er wat aan doen).
DEELNEMINGSVORMEN - manieren om betrokken te zijn bij een strafbaar feit:
- Plegen: de dader voert het feit zelf uit
- Medeplegen: samen met anderen het feit plegen (bewuste samenwerking)
- Doen plegen: een ander het feit laten plegen (de uitvoerder is zelf niet strafbaar)
- Uitlokking: een ander aanzetten tot het plegen van een feit door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding
- : opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van een misdrijf of daartoe gelegenheid/middelen verschaffen
Let op: aan een OVERTREDING is NIET strafbaar! tot een OVERTREDING is ook NIET strafbaar.
tot een misdrijf is WEL strafbaar (art. 45 WvSr): er moet een begin van uitvoering zijn.
...schakel naar uitgebreide versie om de volledige samenvatting te lezen.
Klaar met lezen? Test je kennis over dit hoofdstuk.
Oefentoets